10dence art gallery - creative concepts & project development

Anton Vrede - Rotterdam NL


Anton Vrede werd geboren in Willemstad, Curacao in 1953 en verhuisde in 1961 naar Nederland, en bracht zijn middelbareschooltijd door in Leiden. Hij studeerde van 1971 tot 1977 aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam samen met oa. Frank Dam, Jos Looise en Willem van Veldhuizen. Zijn werk bestaat uit tekeningen, bronzen beelden, grafiek, schilderijen, etsen, zeefdrukken en illustraties, en is opgenomen in collecties van o.a. banken, fondsen, ministeries en ziekenhuizen.























Zelf omschrijft hij zijn werk als een 'osmose tussen abstract-expressionistisch en roman­tisch figuratief'. Anton Vrede streeft ernaar de realiteit naar zijn eigen hand te zetten. De figuratie moet echter zichtbaar blijven. Het gebruik van overwegend lichte en felle tinten weerspiegelt zijn Caribische oorsprong. In zijn werk zijn vaak dieren te zien; roze olifanten zweven voorbij, papegaaien en neushoornvogels staan rug aan rug met opgeheven bekken, katten en tijgers sluipen rond.

De dieren, mensen en voorwerpen van Anton Vrede vertegenwoor­digen vrijwel nooit de inhoud die ze gewoonlijk bezitten. De mens kan het dierlijke weerspiegelen en het beest kan men­selijke trekken vertonen. De dieren dienen vaak als voorbeeld voor een betere levenswijze dan die van de mensen. Zij vervul­len een rol en hebben vaak een functie als personificatie van menselijke gevoelens. Een dier kan kracht, bescherming of afschrikking uitbeelden. De vanzelfsprekendheid waarmee beteke­nissen zich laten uitwisselen wordt nog versterkt door elkaar overlappende kleurvelden en onontwarbaar vervlochten lijnen. Deze manier van werken is typerend voor het handschrift van Anton Vrede.Anton Vrede tekent veel naar de natuur. Zijn studies in Blij­dorp hebben zijn hand gescherpt en de vormen lijken dan ook met speels gemak te ontstaan. Maar meer nog dan aan de dierenwereld spiegelt Vrede zich aan ‘de wereld van het museum'. Hij houdt vooral van het 'ruige' werk van schilders als Penck, Basquiat en Guston. Naast de kunstmusea zijn ook de musea voor volkenkunde een bron van inspiratie voor Vrede. Zo heeft hij bijvoorbeeld veel bewondering voor de kunst van de Asmat, een Papoea-volk uit Irian Jaya. Ook in de kunst van dit volk komen dieren veelvuldig voor als dragers van allerlei betekenissen.

De dieren in het werk van Vrede verleiden en imponeren, zijn aaibaar maar ook vreeswek­kend. Vrede: Schrijnende schoonheid, dat is ware schoonheid. Iets wat er puntgaaf uitziet interes­seert me niet. Wel wat enigszins beschadigd is, wat ook je angst oproept, zoals het leven zelf."

Voor Anton Vrede is de dierenwereld een vertrouwde wereld. Een groot deel van zijn tekeningen, schilderijen, etsen en sculpturen speelt er zich in af. Voor hem is het een droomwereld, een vluchtoord waarvan het kader gevormd wordt door de oeroude symboliek die voorkomt in sprookjes, mythen, fabels en legenden. Hij geeft zijn dieren daarin alle ruimte. Ze lijken op zich realistisch weergegeven, maar in hun handelen en ook in hun uiterlijk vertonen ze allerlei surrealistische trekjes. Bovendien heeft Anton Vrede een beeldtaal die open, dichterlijk en kwetsbaar is, zodat zijn figuren nooit eenduidig uitgelegd kunnen worden. Ze zijn voor meer betekenis vatbaar en ontstijgen zo de stripfiguren zoals we ze kennen uit de tekenfabrieken van Walt Disney en anderen (al zal Vrede de laatste zijn om te ontkennen dat strips invloed hebben gehad op zijn werk).

LiteratuurBoeken van en met Anton Vrede zijn: Van erf tot skai : een bundel gedichten, door Chitra Gajadin en Anton Vrede (illustraties), Futile Rotterdam, 1977. Schetsboek 1986-1987, Uitgever Bébert Rotterdam, 1987 en Anton Vrede : aap, haas, pinguïn, olifant ...
.
Het moderne bestiarium van Anton Vrede
.
De dierenschilderijen en prenten van Anton Vrede zijn licht, leuk en kleurrijk. Ze vertellen nauwelijks een verhaal, maar tarten je om er zelf een verhaal bij te verzinnen. Dat is leuk voor thuis. En daarmee belangrijk, want de woonomgeving is een belangrijker domein voor beeldende kunst dan bijvoorbeeld musea, waar schilderijen worden verzameld als betrof het postzegels. Net als dieren: leuker in het wild dan in een dierentuin.
.
Anton is een vakman, die voor wat betreft zijn kleurgebruik, geïnspireerd is door de popart. Zijn vroegere werkstukken waren uiteraard wat wilder dan nu. Maar hij komt nog steeds met prachtige kleurencombinaties, grof aangezette, maar toch zeer herkenbare dieren, die vaak een beetje uitdagend als een ondeugend kind naar de toeschouwers kijken. Daar is, gegeven de situatie waarin Anton ze plaatst, ook wel aanleiding voor.
.
Neem bijvoorbeeld het schilderij bij dit stukje. Ingedikte popart zou ik zeggen. Een met zeer vlotte strepen geschilderde aap kijkt je triomfantelijk liggend op de slurf van een olifant aan. Laatstgenoemde tuurt berustend in de verte. Op het doek zelf zijn, als je goed kijkt, de vage contouren te zien van eerdere dieren en voorstellingen. De kleuren zijn bijzonder en dwingend en het werkstuk is, dankzij al deze elementen, hard en zacht tegelijk. Een droom in de werkelijkheid, of de werkelijkheid in een droom. Ik werd meteen verliefd op dit schilderij bij een expositie in Rhoon.
.
Anton heeft een hele serie van dergelijke schilderijen geproduceerd en ook grafica. Maar dit schilderij vind ik, voor zover ik de hele serie heb gezien, een van de meest uitgebalanceerde en desalniettemin toch spannend.
.Anton heeft veel werk geproduceerd. Ik ken het maar ten dele, maar ik heb de indruk, dat er in zijn dierenschilderij veel constanten zitten. Combinaties van dieren, die, vanuit een overigens onterechte antropomorfe benadering, menselijke eigenschappen worden toegedicht, die ze niet hebben. Het is een kwestie van projectie. Je ziet wat je wilt zien. Dieren appelleren aan onze gevoelens van aaibaarheid, degelijkheid en wreedheid en worden daarom al eeuwenlang in fabels opgevoerd als pseudo-mensjes. En dan vooral als poppenkastattractie, tot lering en vermaak van het volk dat op deze wijze de les wordt gelezen. Schoolvoorbeeld daarvan zijn de sterk moraliserende fabels van La Fontaine. Zinvol in hun tijd, maar nu achterhaald.
.
Anton Vrede heeft ontegenzeggelijk iets met dieren en dan vooral met zijn eigen bestiarium. Maar hij hoort niet thuis in de traditie van de fabeltjesvertellers. Integendeel. Zijn dieren zijn impressies van dieren. Geen fotografisch afbeeldingen, maar wezens die je in de popart verwacht. Gesublimeerde werkelijkheid, die fascineert. Met essentiële lijnen en onverwachte kleuren zetten de dieren van Anton je aan het denken. Daarmee is hij eerder een abstracte dan een figuratieve schilder.
.
It’s all in the mind van de toeschouwer en het is de vraag of de associaties die al deze vrolijke vage dieren oproepen, er ook door de kunstenaar zijn ingelegd. Hoe het ook zij, het bestiarium van Anton Vrede gaat ergens over. Zijn werk heeft een ziel en is daarom zeer de moeite waard.
.
Hein Meijers
Wetenschapsjournalist en de gelukkige bezitter van een aantal werken van Anton Vrede.
.
Het gedicht
.Dames en heren, Anton,
.
Het wordt stil, het wordt warmer in de zaal.
Steeds zilter waait dun ratelend metaal.
De schrijfmachine mijmert gekkepraat.
Lees maar, er staat niet wat er staat.
.
Die ene regel uit het gedicht Awater van Martinus Nijhoff: Lees maar, er staat niet wat er staat, heeft in de Nederlandse taal bijna de status van een gezegde verworven. Ontleend aan de letterkunde, duiden we er mee aan dat dat wat niet gezegd wordt vaak even belangrijk is, of belangrijker nog, dan wat wel gezegd wordt. Bij taal kunnen we dat ons goed voorstellen: literatuur is de kunst van toespelingen maken, iets oproepen, aanduiden, suggereren, er omheen draaien… omdat ieder woord geladen is met tientallen associaties, die zowel collectief als individueel bepaald zijn, en omdat klank en intonatie per slot van rekening alleszeggend zijn. We kunnen het tegengestelde zeggen van wat we bedoelen en elkaar toch begrijpen.
.
Geldt voor de beeldende kunst dan hetzelfde? Kan je zeggen: Kijk maar, je ziet niet wat je ziet? Een schilderij, een tekening, een sculptuur is immers een ding, het is geen woord, geen klank. Het is er, tastbaar, zichtbaar, aanraakbaar – een ding met gewicht (hoe gering ook) dat ruimte inneemt, terwijl woorden gewichtloos zijn en vervliegen met elke buiging van de stem.
.
Voor de beeldende kunst geldt toch hetzelfde, denk ik, als het goed is. Soms zie je weliswaar gewoon wat je moet zien, en ook dat kan goed zijn: een reliëf van Jan Schoonhoven is een ding om naar te kijken omdat het dingen zichtbaar maakt, in dit geval de eindeloze nuances van het licht. Maar ik denk dat voor het werk van Anton Vrede zeker geldt dat je niet ziet wat je ziet, of, om het ingewikkelder te maken, dat je ziet wat je niet ziet.
.
Wat zien we? We zien telkens weer een olifant, een haas, soms een pinguïn of een aap (ik laat de drie modeltekeningen hier even buiten beschouwing) die op elkaar balanceren - of beter, een haas die allerlei acrobatische toeren op een olifant uithaalt, die luiert op zijn slurf of er bijna een springplank van maakt, een haas die verwachtingsvol in de verte staart, die wat aanrommelt met een pinguïn, en soms ontmoeten die dieren elkaar of nemen ze afscheid.
.Maar dit zien we natuurlijk helemaal niet. Wat u ziet is uw eigen goedgelovigheid. Eigenlijk zien we alleen maar kleuren, vlekken, soms lijnen, we zien dikke verf en dun opgebrachte verf, we zien de kwaststreken in de verf, we zien licht en donker, fletse kleuren en verzadigde kleuren, matte en glanzende plekken, kleur over kleur over kleur, soms ton-sur-ton, soms hard en contrastrijk. Het werk is eenvoudiger geworden de afgelopen jaren, zegt Anton, maar die eenvoud is bedrieglijk.
.
We zien kleur en lijn, en we geloven dat we dieren zien, maar wat we werkelijk zien is Anton Vrede zelf, misschien wel beter naarmate het werk eenvoudiger is geworden. Zoals iedere goede kunstenaar ontsnapt hij er niet aan telkens weer een zelfportret te maken. Wat we zien is Anton Vrede die kijkt en droomt. In zijn schilderijen, tekeningen, beelden, zien we hem kijken naar Bugs Bunny en de Indiase god Ganescha, we zien hem kijken naar de haas van Dürer en de leeuw van Henri le Douannier Rousseau, en in de menagerie die hij zich in al die jaren heeft toegeëigend zien we hem steeds helderder dromen van een wereld vol vertrouwen, in wankel evenwicht weliswaar, maar toch… Dergelijke dromen kunnen we tegenwoordig goed gebruiken, in een wereld die de afgelopen jaren vele illusies armer is geworden. Soms is het beter even niet te zien wat je ziet, en goed te kijken naar iets dat er eigenlijk niet is maar dat er wel zou moeten zijn.
.
Ludo van Halem
curator Stedelijk Museum Schiedam
14 april 2006
.

De olifant in het paradijs
.Anton Vrede – De olifant in het paradijs
.
‘Now the bee takes his honey then he sets the flower free’
Captain Beefheart
.
In de vensterbank van zijn atelier staan beeldjes van olifanten, etnografica en boeddha's. Het eerste dat hij doet als hij binnenkomt: een lp opzetten. Daarna koffie maken. Muziek stoffeert de eenzaamheid van het atelier. ‘You just perform, you cannot burst for joy, it just takes toil, hard work and toil.’ De stem van Stuart Staples is even regenachtig als het weer van deze middag in maart.
.
‘Ik houd van schoonheid met een scherp randje,’ zegt Anton Vrede.
.
Op een van zijn onvoltooide schilderijen maken een gorilla, een kikker, een haas en een pinguïn een rondedans. Dat kan natuurlijk niet echt, maar als hij het schildert kan het toch. Olifanten zweven door de hemel, hazen gebruiken de nek van een giraffe als glijbaan, zwemmers voeren luipaarden mee. Onder wordt boven, licht wordt zwaar, lucht wordt water en omgekeerd. De dierenwereld van Anton Vrede verandert voortdurend en blijft steeds hetzelfde, zoals het plezier waarmee ze zijn geschilderd of getekend steeds hetzelfde blijft.
Die ochtend heeft hij bij etsen opgehaald die Fieke Billet voor hem heeft gedrukt. Hij legt ze uit op de vloer, naast de productie van de voorgaande maanden. Het hele atelier is gevuld met prenten waarvan de fragiele, dansende lijnen en speelse kleurvlekken zijn neergezet met de gespeelde achteloosheid die het resultaat is van jarenlang kijken en tekenen. ‘In mijn werk kan ik mijn droomwereld concretiseren,’ zegt hij. ‘Tegelijk kan ik mijn muizenissen ermee verdrijven. Het leven is niet zo ingewikkeld. Alles heeft voor mij een zekere lichtheid gekregen. Zonder zweverig te zijn. Het werk heeft een balans gevonden, lichtheid als tegenwicht voor ernst, waardoor ze elkaar min of meer opheffen.’
.
Is dat een manier om jezelf te relativeren? vraag ik.
.
‘Ik denk het wel. Mezelf, mijn omgeving, de wereld.’
.
De dieren in zijn werk zijn meer dan louter een spel van kleur en vorm, hoewel dat met grote inzet wordt gespeeld. Anton Vrede grijpt in zijn werk terug op oeroude symbolen die voorkomen in mythen, sprookjes, fabels en legenden uit alle windstreken en na alle eeuwen nog niets aan kracht hebben ingeboet.. In afgezwakte vorm zijn ze nog herkenbaar in hedendaagse tekenfilms, stripverhalen en kinderboeken. ‘Pas toen ik volwassen was ontdekte ik hoe geniaal tekenfilms zoals Bugs Bunny gemaakt zijn. Ik heb geprobeerd de beweeglijkheid daarvan in mijn schrift te imiteren, hoewel ik die in mijn werk hooguit kan benaderen: het blijft een stilstaand beeld.’
Hij noemt nog andere hedendaagse invloeden. De songs van Captain Beefheart bijvoorbeeld, die grossieren in surrealistische invallen en raadselachtige archetypen: ‘The Christ child its face replaced by an elephant’s head, intricate lace cups each ear and bands the trunk’ (A Tin Peened Reindeer).
Het beeld is minder ongerijmd dan het in eerste opzicht wellicht lijkt. Anton haalt een artikel tevoorschijn, waarbij als illustratie een ets van Rembrandt is afgedrukt. Adam en Eva, kort voor de Zondeval. Op de achtergrond kijkt een olifantje toe. In de christelijke iconografie is de hulpvaardige olifant het symbool van Christus, de enige die de gevallen mens kan oprichten. De olifantskop die Beefheart het Christuskind toedicht, verwijst in één moeite door naar Ganesha, de hindoegod van de wijsheid.
Van alle dieren die Anton Vrede in zijn werk ten tonele voert, is de olifant het meest opvallend aanwezig. Omwille van zijn mooie, onmiddellijk herkenbare vorm maar ook van de vele kwaliteiten die aan hem zijn toegeschreven: ‘De olifant is een lankmoedig dier, verstandig en verdraagzaam. Hij werd bewonderd om zijn kracht en was het geliefde rijdier van helden, koningen en goden. Ik gebruik ook vaak de aap. In het oude Egypte werd hij met eerbied behandeld, net als in de oosterse mythologie. Daarin treedt hij op als de boodschapper van de goden, die hun opdrachten uitvoert hoewel hij ze zelf niet altijd begrijpt. Hij figureert in mijn werk als een soort nar, die dingen mag doen die ik een ander alter ego niet kan laten doen.’
Ook de haas keert als personage in het werk van Anton Vrede steeds terug. Hij is een vindingrijk dier dat grotere en sterkere tegenstanders te slim af is, en vooral ook een wijdverbreid vruchtbaarheidssymbool. ‘De paashaas kondigt de komst van het voorjaar aan. Vroeger waren winters nog winters en de lente was een feest. Een wedergeboorte: alles begint weer te groeien en te bloeien, en na de rust van de winter komt er een menigte nieuwe indrukken op je af.’
De zinnebeeldige betekenissen van andere dieren staan nog open. Ze mogen door de toeschouwer naar believen worden ingevuld en kunnen van persoon tot persoon verschillen. In zijn schilderijen en op zijn tekeningen is de pinguïn een vreemde vogel, die zwartwit afsteekt tegen de tropische kleuren van de andere dieren. Het dier zou, oppert hij half gekscherend, kunnen verwijzen naar de beroemde Engelse pocketreeks en daarmee voor de intellectuele kennis, maar voor hemzelf heeft het dier ook alles te maken met het leven in Nederland: ‘Je probeert wanhopig op te gaan in de Hollandse maatschappij en dan voel je je soms net zo stijf en onhandig als een pinguïn.’
Ook in de kunst heeft hij een zwak vooral voor de outsiders, de pinguïns tussen de pauwen en de paradijsvogels. Onder de vele kunstenaars die hij bewondert, noemt hij de namen van collega-schilders zoals José M. Capricorne en Winfred Dania, Jan Roëde en Gerrit Alberts. Ook Kees Timmer, die net als hij dieren schilderde en wiens dieren steeds menselijker trekken kregen. Allemaal kunstenaars die een positie ter zijde van de officiële kunstwereld innemen en los van heersende stromingen en tendensen hun eigen weg gingen.
‘Ik heb hun werk altijd mooi gevonden, maar vooral de laatste tijd herken ik veel van mezelf in hen. Een beetje tegendraads, een beetje onbeholpen. Het werk van zowel Jan Roëde als Gerrit Alberts is, ondanks tragische privé-omstandigheden, heel blij en vrolijk. Ik begrijp hun opstandigheid en ik voel ook het immense verdriet in hun schilderijen. Maar het wordt zo wonderschoon en poëtisch weergegeven dat je ook een grote liefde ervaart. Liefde voor het leven. Veel kunst van nu is alleen maar vormgeving, verpakking. Het mist bezieling. Een kunstwerk moet een geest bezitten. Alleen dan kan het troost bieden.’
Ooit zei Anton Vrede tegen me: ‘Kunst is een krachtig medicijn.’
Dat heeft hij zelf ondervonden, beaamt hij: ‘Mijn werk heeft mij voor diepe ravijnen behoed.’
Voor wie droomt liggen nachtmerries altijd op de loer. De oude schilderijen en tekeningen van Anton konden door hun volheid iets benauwends hebben. Het waren opstapelingen van dieren en mensen, vormen die ineenschoven en elkaar soms weinig ruimte gunden, kleuren en lijnen die allemaal om aandacht vroegen. Ook de voorstellingen logen er niet om. Vogels vielen ten prooi aan katten, tijgers strekten zich om de toeschouwer te bespringen. Zijn werk is zichtbaar vreedzamer geworden.
‘De angsten van vroeger zijn verdwenen. Ik zeg niet dat ik ze van me heb afgeschilderd, maar doordat ik ze in schilderijen en prenten zichtbaar heb gemaakt, ben ik tot de slotsom gekomen dat de boosheid en de agressie waar ik mee te maken krijg, niet voor mij bestemd zijn.’
Er komen in zijn werk geen slangen voor, zegt hij, omdat hij ze ervoer als vertegenwoordigers van het kwaad. Nu ziet hij het anders: wanneer een slang in zijn eigen staart bijt, symboliseert hij het leven dat geen begin of einde heeft. De laatste tijd gebruikt hij ook opvallend vaak eivormen in zijn schilderijen. Ze zijn glad en gaaf, vol belofte. Het symbool bij uitstek, net als het leven zelf tegelijk kwetsbaar en onvergankelijk.
De ommekeer in zijn werk heeft alles met zijn gezinsleven te maken. Vorig jaar kregen zijn vrouw Marianne en hij een zoon, die ze Alwin noemden. ‘Huiselijk geluk zorgt ervoor dat je sterker in de wereld staat,’ zegt Anton. ‘Het bespaart je een hoop overlast en narigheid, die je afleiden van de dingen die er in het leven écht toe doen.’
In de maanden voorafgaande aan de geboorte van zijn zoon voelde hij de sterkte behoefte om beeldjes te maken. Hij gebruikte daarvoor zijn vertrouwde figuranten: de olifant, de pinguïn, de haas, die hij uit was kneedde rond een skelet van takjes uit zijn tuin. Hij ontdekte dat er iets merkwaardigs gebeurde toen de figuranten uit zijn schilderijen het platte vlak verlieten: ‘Het verhaal is nog steeds hetzelfde, alleen is het nu in de ruimte geplaatst. Het heeft meer lucht gekregen, waardoor het meer leeft, maar waardoor wonderlijk genoeg ook de doeken meer leven.’ In brons gegoten zijn de beeldjes ondanks hun geringe statuur nadrukkelijk aanwezig. Ze hebben iets onverzettelijks gekregen, zeker naast de schijnbare luchtigheid en luchthartigheid van de nieuwe etsen.
Anton laat zijn prenten nog eens door zijn handen gaan. Hij bekijkt de nieuwe etsen alsof hij er nog aan moet wennen. ‘Waar mijn werk over gaat? In elk geval niet over een paradijs dat ik verloren heb. Het gaat over een ideale gedroomde wereld, die overal om me heen is. Als ik me omdraai slaan de mensen elkaar de hersens in. Dat weet ik ook wel, maar dat zie ik dus niet. Omdat ik verkies het niet te zien. Mijn naam is haas.’
Het paradijs duurt alleen zolang we kijken. Het is denkbaar dat, wanneer we onze blik afwenden, de vreedzame rondedans in zijn werk wordt verbroken. De dieren houden niet langer de schijn op en vliegen elkaar ouder gewoonte naar de keel. De rondedans verandert in een dodendans. Het wankele evenwicht kan elk moment worden verbroken, omdat oude instincten opspelen.
Kijk goed naar het werk van Anton Vrede en je ziet af en toe een angstige blik, wanneer een van zijn dierlijke acteurs heel even uit zijn rol valt.
.
Ook het paradijs heeft een scherp randje.
.Pieter van Oudheusden















.
.
.
.
.